Nederweerts Verleden

Blog van Alfons Bruekers met wetenswaardigheden uit de geschiedenis van de gemeente Nederweert. Auteursrechten voorbehouden.

Wind en vuur

De uitvinding van de stoommachine door James Watt lag aan de basis van de Industriële Revolutie. De overgang van wind naar vuur markeerde ook de overgang van traditionele nijverheid naar moderne industrie. De eerste kennismaking van de Nederweertenaren met stoom was rond 1830, toen de stoombootdienst van Maastricht naar Den Bosch dagelijks door het Nederweerter kanaal voer.

Eeuwenlang had Nederweert alleen maar windmolens, watermolens en rosmolens (aangedreven door een ros of paard) gekend. In 1850 probeerde houtzager Coumans om zijn windmolen te moderniseren met een stoommachine, maar dat ging niet door. Twee jaar later introduceerde de Nederweerter ondernemer Jan Mathijs Bruekers wél de eerste stoommachine in Nederweert. Pal op de oever van Kanaal Zuid-Willemsvaart stichtte hij een door stoom aangedreven ‘koren-, schors-, en oliemolen’. Dat ging overigens niet bepaald van een leien dakje. De gezamenlijke molenaars van Weert en Nederweert (waar zich toen in totaal 18 koren- en oliemolens bevonden) lieten een krachtige tegenstem horen. Zij richtten een tranentrekkende petitie aan het provinciebestuur. Men vond de stoommachine een bedreiging voor de werkgelegenheid, valse concurrentie, te dicht op de kanaaloever staan en vanwege het explosiegevaar een bedreiging voor de omgeving. Men vreesde dat de bestaande molenaars, en ook de transporteurs van koren en meel, brodeloos zouden worden. Slechts een handjevol inwoners zouden positief zijn over de komst van de stoommachine. Niettemin kwam de stoommolen van Bruekers er. De nieuwgebouwde stoommolen van 8 PK kreeg van de Nederweertenaren al gauw de naam ‘De Vuurmolen’. Het was immers het vuur waarmee water tot stoom werd gekookt en waarmee vervolgens de turbine van de molen werd aangedreven. Ongetwijfeld heeft deze innovatie destijds grote indruk gemaakt op de bevolking.

In dezelfde tijd, om precies te zijn in 1859, kreeg de Nederweerter ondernemer Winckels vergunning om op de oevers van diezelfde Zuid-Willemsvaart een grote pannen- en plavuizenbakkerij te stichten. Aan deze keramische industrie dankt het industrieterrein ‘Pannenweg’ haar naam. ‘De Vuurmolen’ was toen niet meer in bedrijf want al binnen een decennium stopten haar activiteiten. De reden moet gezocht worden in technische problemen. Wel staat vast dat met de komst van de stoommachine van Bruekers een onomkeerbaar proces van industrialisatie was ingezet. In de daarop volgende jaren werden de meeste molens in Nederweert voorzien van stoommachines zodat er ook bij windstilte kon worden gemalen. Nog later deden diesel- en electromotoren hun intrede. Hoewel de stoommolen aan het kanaal ontmanteld werd, bleef de bijbehorende woning ‘De Vuurmolen’ heten. Bij de kanaalwerkzaamheden rond 1920 werden de laatste resten van de gebouwen afgebroken en verdween ook de naam. Nu ligt op die plek het viaduct van de Randwegbrug. ‘De Vuurmolen’ wordt in 2017 de naam van het nieuwe bedrijvencentrum aan de Pannenweg. De naam herinnert niet alleen aan de historische betekenis van deze locatie maar is ook synoniem voor het ‘vuur’ of passie van de Nederweerter ondernemers van het eerste uur. Een ‘vuur’ dat voortleeft tot in de huidige tijd bij de ondernemers van dit bedrijvencentrum.

Advertenties

Catalonië en Nederweert

Gaat Catalonië nu wel of niet de banden met Spanje doorsnijden? Het is niet bij voorbaat succesvol, zoals al vaker is gebleken in de geschiedenis, ook op microschaal. De Nederweertenaren hebben tweemaal in de geschiedenis separatistische trekjes gehad, evenwel zonder succes.

In de 18e eeuw behoorde Nederweert tot de Oostenrijkse Nederlanden. Helemaal in de geest van de Franse vrijheidsstrijd waaide het revolutionaire virus van Parijs via Brabant uit naar Nederweert. Op 10 januari 1790 presenteerde het Nederweerter gemeentebestuur haar Verklaring van Onafhankelijkheid van het gezag van Oostenrijks keizer Joseph II. Bijna een jaar lang vormde Nederweert een soort onafhankelijke staat. Tot de Oostenrijkse legers Weert en Nederweert kwamen bezetten en het vlug uit was met de pret.

In 1838 deed zich iets soortgelijks voor. Toen de Zuidelijke Nederlanden zich in 1831 afsplitsten van Nederland (en België gingen heten), ging Nederweert mee in die beweging. In 1838 werd bepaald dat Nederweert alsnog overgedragen zou worden naar Nederland. Dat was zeer tegen de zin van de inwoners. Tijdens een referendum sprak de (stemgerechtigde) bovenlaag van de bevolking zich uit tegen de aansluiting bij Nederland. De verdeeldheid was net als in Catalonië echter groot en het leidde zelfs tot grote onlusten en gewelddadigheden op straat en in de kroegen. Maar de Grote Mogendheden (Frankrijk, Duitsland en Engeland) hadden geen boodschap aan het plaatselijke ‘Nexit’ en met één pennestreek werd Nederweert in 1839 bij Nederland gevoegd.

Het onafhankelijkheidsvirus van de Nederweertenaren was daarmee weliswaar onderdrukt maar niet helemaal verdwenen. Dat blijkt zo nu en dan in de geschiedenis als het gemeentelijke-herindelingsspook (waarbij een fusie Weert-Nederweert volgens sommigen voor de hand ligt) weer eens opdoemt.

Voor wie er meer over wil lezen zie de eerdere afleveringen in mijn blog:

https://nederweertsverleden.wordpress.com/2010/09/30/lusten-en-lasten/

https://nederweertsverleden.wordpress.com/2016/08/30/brexit-en-nexit/

 

Schrijven en blijven

Mondelinge afspraken waren ook vroeger al vluchtig en vrijblijvend en leidden niet zelden tot gekrakeel en soms zelfs tot jarenlange juridische geschillen. Vandaar dat men al heel vroeg transacties op papier wilde zetten om zo gedoe voor te zijn. Om de eeuwigheidswaarde van zo’n schriftelijke afspraak te benadrukken eindigde zo’n epistel dan wel eens met de woorden: ‘Zolang wind waait en haan kraait’.  

In de zestiende en zeventiende eeuw had Nederweert geen notaris. Voor het vastleggen van eigendomsoverdrachten, registratie van hypotheken, voogdijschappen en testamenten wendde men zich soms tot de pastoor maar meestal tot het gemeentebestuur. De gemeentesecretaris (vaak de enige gemeentebestuurder die schrijven kon) legde de overeenkomsten vast in dikke folianten. In het begin van de achttiende eeuw deed het notariaat ook in Nederweert zijn intrede. De eerste notaris, Mathijs Borghs, startte in 1723. Hij werd in 1736 opgevolgd door Jan Cornelis van Sittaert, waarna in 1776 notaris Havens de ganzenveer overnam. In zwierig handschrift legde de notaris alles vast wat de Nederweertenaren bezig hield. Naast de genoemde hypotheken en overdrachten waren dat ook gerechtelijke verklaringen over bijvoorbeeld ongewenste zwangerschappen, berovingen en mishandelingen. Net als de registers van de schepenbank geven de notariële archieven een prachtig inkijkje in het dagelijkse leven. In de Napoleontische tijd en kort daarna had Nederweert geen eigen notaris meer. De inwoners gingen toen naar de notarissen in Weert en Heythuysen. Met de komst van de eerste industrieën en door de grootschalige ontginningen in Ospel en Ospeldijk, steeg het aantal grondtransacties vanaf 1856 explosief. Er was toen weer emplooi voor een eigen notaris. Die werd gevonden in de persoon van Jozef Le Brun.

Notaris Le Brun was een ambtieus man. In 1871 bouwde hij een megalomaan groot huis voor zijn gezin en notarispraktijk (nu huize Van de Wouw, Kerkstraat 38). Richting de kerk bouwde hij een woonhuis voor zijn koetsier en er tussenin stond een remise (garage) voor zijn koetsen en rijtuig. Zijn ambities bleken toch een maatje te groot voor Nederweert en in 1893 werd hij uiteindelijk failliet verklaard. Zijn huis werd gekocht door het Kerkbestuur dat er een ‘oudemannenhuis’ wilde vestigen, maar dat bleef bij een plan. In 1897 vestigde de bekende huisarts dokter Schmidt zich gedurende enkele jaren in het voormalige notarishuis. Behalve dokter was hij ook een zeer verdienstelijk schrijver en dichter. Zijn echtgenote, mevrouw Brandenburg, streefde hem hierin zelfs voorbij. Zij was een landelijk bekende romanschrijfster die in haar boeken Nederweerter taferelen verwerkte. De onfortuinlijke notaris Le Brun werd opgevolgd door Willem Sarton, die zich vestigde in het hoekhuis Burgemeester Greijmansstraat/Kerkstraat. Zijn verblijf was eveneens niet erg gelukkig. Al in 1896 werd Sarton door de Roermondse rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden wegens het plegen van valsheid in geschrifte. Dat was natuurlijk een doodzonde voor een beroepsschrijver als een notaris. De eis was driemaal zo hoog, dus Sarton mocht blij zijn dat het bij een half jaar bleef.

Klein en groot

Ooit was het landschap van de Groote Peel in Ospel een weidse vlakte met kilometers ver uitzicht. De lichtglooiende hogere delen waren slechts begroeid met heide en werden begraasd door schaapskuddes. In de natte delen werd eeuwenlang turf gewonnen voor de verwarming van huis en haard. Bomen waren toen nog  – letterlijk – in geen velden of wegen te bekennen.

Groot was dan ook de verrassing toen tijdens de droge zomer van 1949 door de legendarische Ospelnaar Graad van Deursen een opzienbarende ontdekking werd gedaan. Graad was klein van stuk maar zijn daden waren groot. Hij was boer, caféhouder, doodgraver, tuinman, zanger, natuurliefhebber en bovenal fervent jager. Op een van zijn vele strooptochten (een woord dat in zijn geval ook letterlijk van toepassing was…) door de Peel ontdekte hij door de lage waterstand iets wat leek op kienhout. Dat zijn restanten van boomstronken die wel vaker werden gevonden bij het turfsteken. Van Deursen deed zijn vondst tussen de Eerste Baan en de Tweede Baan, aan de zuidrand van de Peel. Hij schonk er aanvankelijk weinig aandacht aan, maar toch bleef de vondst hem bezighouden. In de herfst van 1950 ging hij met enkele turfstekers op onderzoek uit. Zij groeven wat in de rondte en wat zij uiteindelijk vonden overtrof ieders verwachting. Diep in het veen, bijna twee meter onder de oppervlakte, lag een omgevallen eikenboom van kolossale afmetingen. Een reus van een boom had hier gestaan en de stam die men terugvond mat 16 meter lengte. Aan de kruin zat nog een dikke tak van 4 meter, zodat de totale boom zo’n 20 meter lang was.

Omdat de boom vrijwel geheel diep in het natte veen lag, was hij goed geconserveerd. Het kostte de grootste moeite om het meer dan 12000 kilo zware gevaarte op het droge te krijgen. Met een raamzaag werd de meer dan een meter dikke stam daarom eerst middendoor gezaagd. Men telde meer dan 200 jaarringen dus zo oud moet de boom geweest zijn voordat hij het loodje legde. De vondst werd groot nieuws in de regionale en provinciale pers en in de volksmond sprak men over de ‘reuzenboom uit de Peel’. Het bergen van de boom trok veel bekijks. De in die tijd bekende houtzagerij Vilrokx bij de Biesterbrug in Weert kocht de boom voor 500 gulden en voerde de twee stamdelen naar Weert. Daar werden ze in een donkere ruimte langzaam gedroogd. Het hout was zeer gewild omdat het deels versteend was, prachtige ‘tekening’ had en zich uitstekend leende voor kunstzinnig houtsnijwerk en meubilair. Timmerman Jean Bruekers uit de Kerkstraat in Nederweert verwerkte een deel van de boom tot een prachtige wandbetimmering in het notariskantoor Biezenaar. Wetenschappers nemen aan dat de boom ongeveer 7000 jaar oud was. Daarmee zou dit hout het alleroudste organische overblijfsel uit Nederweerts verleden moeten zijn. De kleine Graad van Deursen had achteraf gezien een vondst van grote wetenschappelijke betekenis gedaan.

Stukjes en beetjes

Het was groot landelijk nieuws in 1937: de mysterieuze verdwijning van de Nederweerter schoenmaker Bert van Roij. Dagbladen in het hele land en zelfs de nationale radio schonken aandacht aan de vermissing. Stukjes en beetjes van het spannende verhaal zijn bekend maar een sluitende verklaring voor deze ‘cold case’ is na 80 jaar nog steeds niet gevonden.

Schoenmaker Bert van Roij was afkomstig uit Leveroy, geboren in 1868 en had drie huwelijken achter de rug. Als weduwnaar was hij o.a. in de kost bij de familie Hermans, Kerkstraat 61 (de latere kapsalon ‘Polly’) en vanaf 1932 bij zijn dochter. Van Roij was een vermogend man maar had in 1924 bij het faillissement van de Hanzebank een deel van zijn fortuin verloren. Daardoor was hij erg achterdochtig geworden en droeg hij het restant van zijn kapitaal, ongeveer 6000 gulden, altijd bij zich. Aan de binnenzijde van zijn onderhemd had zijn dochter zakjes genaaid waarin Bert zijn kapitaal in gouden munten bewaarde. In 1935 vertrok Bert naar Bakel. Daar woonde zijn zoon die ook schoenmaker was en aan wie hij geld had uitgeleend. In brieven aan zijn kinderen uitte Bert zijn zorgen over het uitgeleende geld en zei hij te vrezen voor zijn leven. Vanuit Bakel ging hij zo nu en dan enkele dagen op reis om zijn andere kinderen te bezoeken. Op 10 maart 1937, na het middagmaal, vertrok Bert uit Bakel met medeneming van zijn schoenmakershamer om terug te keren naar zijn dochter in Nederweert. Daar is hij nooit aangekomen. Toen men na enkele dagen nog steeds niets van Bert gehoord had, sloeg zijn dochter groot alarm.

Veldwachter Hochstenbach werd erbij gehaald en voor een moord werd gevreesd. Een half jaar later was Bert nog steeds niet gevonden en werd de kwestie breed uitgemeten in de pers. Er werden zelfs een wichelroedeloper en waarzegster in de arm genomen. De dochter in Nederweert vertelde aan de politie dat zij wist wie de moordenaar was, maar dat ze geen bewijzen had. Ondertussen speculeerde de Nederweerter gemeenschap er vrolijk op los. Men suggereerde dat de dader in de naaste kring moest worden gezocht en dat het om roofmoord ging. Men zou zijn lijk in stukken hebben gesneden en met stukjes en beetjes aan de varkens hebben gevoerd of hebben opgelost in zoutzuur. Een overbuurvrouw uit de Kerkstraat vertelde op haar sterfbed dat van Roij in café ‘Siem’ (Kerkstraat 56), tijdens een ruzie per ongeluk gedood zou zijn. In paniek zou zijn lichaam zijn begraven onder de vloer van een van de gewelfkelders van het cafépand. Sindsdien zouden de bewoners aan iedereen de toegang tot die kelder hebben geweigerd. Bij onderzoek in een van de gewelfkelders van ‘Siem’ in 2001, werden onder de keldervloer planken van een ingegraven en met zand gevulde houten kist gevonden. Een nadere analyse van de inhoud van de kist heeft toen echter niet plaatsgevonden. De ‘cold case’-verdwijning uit 1937 blijft dus voorlopig nog een mysterie….

Oud en versleten

De eerste steen van de Lambertustoren werd gelegd in 1467. Dat betekent dat dit jaar zijn 550ste verjaardag gevierd wordt. Veel reden voor een groot feest is er overigens niet want de bouwkundige staat van de toren is deplorabel. Wil hij zijn 600ste verjaardag ook nog halen, dan is een grootschalige restauratie van het versleten metselwerk nodig. De plannen daarvoor zijn in de maak.

De 500ste verjaardag van de toren, in 1967, ging zonder feestelijkheden voorbij. Dat leidde tot een ingezonden brief in het lokale weekblad ‘Op de Keper’. Daarin vroeg de opgewonden briefschrijver zich af of het kerkbestuur haar (kerk-)geschiedenis soms in de doofpot had gestopt. Van festiviteiten was in elk geval geen sprake. Het was natuurlijk ook een ongunstig tij in die jaren van beginnende ontkerkelijking. Kerkbestuur en gemeentebestuur werkten nauw samen bij de ontmanteling van de vele prachtige kapellen die de Nederweerter wegen toen nog sierden. Het is een feit dat er tussen historici lange tijd debat is geweest over de daadwerkelijke ouderdom van de Nederweerter toren. Stichtingsjaren als 1400, 1410, 1440 en 1467 wisselden elkaar in allerlei publicaties af. Tegenwoordig is iedereen het er over eens dat de torenbouw begon in 1467 en wel op de feestdag van Sint Margreet. Daarmee wordt de heilige Margaretha van Antiochië bedoeld. Haar kerkelijke feestdag valt tegenwoordig op 20 juli, maar daarmee ontstaat een nieuw stukje verwarring. Want in de middeleeuwen, en uit die tijd dateert de toren, werd haar feestdag een week eerder, dus op 13 juli, gevierd. Om een lang verhaal kort te maken: op 13 juli aanstaande viert de toren dus zijn 550e verjaardag.

De datum van de start van de torenbouw is te lezen op de zogenaamde ‘eerste steen’ die is ingemetseld in de zuidzijde van de toren. In prachtig vormgegeven gotische letters in een natuurstenen plaquette staat daar een tekst in de volkstaal van die tijd: “In den jaer ons heren 1467 op sinte margreten dach wert desen yersten steyn ghelacht”. Uit oude rekeningen blijkt dat men er tot 1518 aan gebouwd heeft en de inschatting van bouwhistorici is dat de toren zelfs toen nog maar half voltooid was. De bakstenen toren van het stadje Peer in Belgisch Limburg wordt wel eens de zustertoren van die van Nederweert genoemd. Inderdaad is er grote gelijkenis tussen de beide torens, maar er is zelfs ook een concrete aanwijzing voor die verwantschap. Een artikel uit 1879 citeert namelijk een gevelsteen uit de Peerder kerk met als opschrift: “Als hier dat werck waes volbracht, is in Nederweert de yerste steyn gelacht”. Helaas is die inscriptie tegenwoordig niet meer vindbaar. De plaatselijke VVV in Peer heeft echter op de kerkmuur een informatiebordje aangebracht met de melding dat hun toren voltooid werd in 1467. Daarmee de koppeling met de Lambertustoren in Nederweert min of meer bevestigend. De toren van Peer werd voor het laatst gerestaureerd in 1995. Nu is Nederweert weer aan zet…

Naam en faam

De leden van de familie van der Wallen in Nederweert stammen allen af van Ludovicus van der Wallen. Die werd geboren op 19 augustus 1833. Beter gezegd: niet geboren maar gevónden. Want Ludovicus (roepnaam: Louis) was namelijk een vondeling. Wie zijn ouders waren is nooit achterhaald. Omdat de pasgeborene door boer Jan van Houts werd aangetroffen in een houtwal naast een akker, werd Van der Wallen de familienaam van Louis.

Normaal gesproken was de naamgevingstraditie rechttoe rechtaan en werden de eerstgeborenen uit een gezin vernoemd naar de grootouders. In Nederweert was er in de negentiende eeuw echter ook nog een andere traditie. Die bestond er uit dat als er een nieuwe pastoor werd benoemd, het eerste kind dat door hem gedoopt werd, naar de nieuwe herder werd vernoemd. Dat was een privilege van de pastoor en de familietraditie moest dan wijken. Bij onderzoek in de Nederweerter doopregisters zijn daar meerdere voorbeelden van gevonden. Bijvoorbeeld pastoor Petrus Scheijven (1835-1852), de bouwpastoor van de huidige St. Lambertuskerk. Hij heeft tijdens zijn pastoraat slechts éénmaal een doop verricht (alle volgende dopen liet hij over aan zijn kapelaans), en wel op 3 september 1835. Dat was de doop van de zoon van Joseph Breukers en Wilhelmina van Moorsel. Het kind heette Petrus Breukers; pastoor en dopeling droegen dus dezelfde voornaam. Het geval staat niet op zich. Een andere Nederweerter pastoor was Lambertus van de Winkel (1880-1884). Ook hij was bouwpastoor en wel van de grote pastorie in de Schoolstraat. Bij de aanvang van het vrij korte pastoraat van Lambertus van de Winkel was zijn eerste dopeling, op 4 februari 1880, een zoon van Joannes Donckers en Hendrina Verheijen. De jongen kreeg dus de naam Lambertus.

Een derde voorbeeld dat bewijst dat het hier om een traditie gaat, betreft Alexander Linsen, geboren in 1889. Zijn roepnaam Alex of Alexander was vrij zeldzaam in deze contreien. In de volksmond noemde men hem ‘Alex van Bert vanne wiesvrouw’. Hij was immers een zoon van (Lam-)bert Linsen (die metselaar van beroep was) en een kleinzoon van Anna Marie Driessen (vroedvrouw of ‘wiesvrouw’ in het Nederweerts). In de parochiekroniek van St. Lambertus staat vermeld ´Den 4 juni 1889 werd ik, Alexander Hubertus Meuwissen benoemd tot pastoor te Nederweert en aldaar als dusdanig plechtig door den HoogEerwaarde Heer Kanunnik-Deken van Weert geïnstalleerd den 25 juni 1889´. De nieuwe pastoor voegt er nog fijntjes aan toe ´terwijl mijn verzoek om te Roggel mogen verblijven onverhoord was gebleven´. Daarmee uiting gevend aan toch wel enige frustratie over de van hogerhand afgedwongen overplaatsing. Pastoor Alexander Meuwissen werd dus op 25 juni 1889 in Nederweert geïnstalleerd. De eerste doophandeling van de nieuwe herder was slechts een paar dagen later, op zondag 30 juni, en dat was dus Alex Linsen. Hij zou later uitgroeien tot een man van grote naam en faam als aannemer, metselaar, handelaar in bouwmaterialen en cafébaas van Excelsior (het latere café Madeira in de Brugstraat).

Glas en glace

In de achttiende eeuw trokken vele Zwitserse en Italiaanse ambachtslieden naar het noorden van Europa. Vaak hadden zij het huidige Nederland als bestemming. Hun vaardigheden als schoorsteenveger, stucwerker en glasblazer waren zeer gewild in onze contreien. Rond 1900 volgde een golf terrazzowerkers en vanaf 1920 kwamen de eerste Italiaanse ijsbereiders.

Nederweert werd al vroeg bezocht door deze gastarbeiders. Op het huidige adres Staat 10 woonden rond 1800 twee ambachtslieden uit het Zwitsers-Italiaanse grensgebied. Het ging naar alle waarschijnlijkheid om glasblazers die hun ambacht ten dienste stelden van de ruitenfabricage. Uit geblazen glazen cilinders werden kleine ruitvormige glaasjes gesneden (vandaar het begrip ‘ruit’). Een van de beide lieden heette Carel Verza. Zijn naam wordt in 1826 nog vermeld maar over hem is verder niet meer bekend dan dat hij uit Zwitserland afkomstig was. Over zijn collega weten we meer. Diens naam was Joannes Baptist Griset. Hij was in 1739 geboren in Bellinzona in het Zwitserse (maar Italiaans sprekende) kanton Ticino. Al in 1775 was hij in Nederweert actief als ‘vinstermaecker’. Na twee jaar kreeg hij van het gemeentebestuur een paspoort om terug te keren naar zijn geboorteplaats Bellinzona. Zijn persoonsbeschrijving leert dat hij middelmatig van lengte was, een rond en gebruind gezicht had en bruine haren. De bezigheden en verblijfplaats van Griset voltrekken zich voor bijna 40 jaar aan onze waarneming. Vast staat echter wel dat hij uiteindelijk weer terugkeerde naar Nederweert want in 1815 wordt hij vermeld als inwoner van Nederweert-Staat. Daar overleed hij in 1823 in de leeftijd van 84 jaar.

Niet ver van de plek op Staat waar Griset en Verza hun glas fabriceerden, wordt nu ‘glace’ (ijs) vervaardigd op Italiaanse wijze. De in 1984 geopende ijssalon ‘Florence’ in de Brugstraat (vroeger ook Staat genaamd) scoort al decennialang landelijke prijzen met haar veelgeprezen ambachtelijk vervaardigd Italiaanse ijs. De eigenaren Marcel en Marjo Janssen hebben zelf voor zover bekend geen Italiaanse roots. Dat gold wel degelijk voor een andere Italiaanse ambachtsman die in Nederweert letterlijk en figuurlijk zijn sporen achterliet. Zijn naam was Giuseppe (Jos) de Monte (1888-1955) en hij was afkomstig uit San Giorgio della Richinvelda, een dorpje in de Noord-Italiaanse provincie Pordenone. Rond 1915 trok hij als gastarbeider naar Limburg waar hij trouwde met de Weertse Catharina Teunissen. Hij stond aan de wieg van het gerenommeerde Weerter aannemingsbedrijf De Monte. Van origine was hij terrazzowerker. In de jaren twintig van de vorige eeuw werd menige Nederweerter keuken, bijkeuken of gang door De Monte voorzien van de karakteristieke mozaïekvloeren van gladgeslepen veelkleurige brokjes natuursteen. Een van zijn opmerkelijkste objecten ligt voor de dorpel van het voormalige winkelgedeelte van restaurant ‘Saame bi-j Siem’, Kerkstraat 56. Het latijnse woord ‘salve’ (wees gegroet, welkom) dat op fraaie wijze in het mozaïekvloertje verwerkt is, vormt hier al bijna een eeuw lang de begroeting voor generaties bezoekers van binnen en buiten Nederweert.

Dag en nacht

In 1912 werd de Florence Nightingale-medaille van het Internationale Rode Kruis ingesteld. Deze onderscheiding was bedoeld voor Rode Kruis-verpleegsters die zich in tijden van oorlog en vrede op buitengewone wijze hebben onderscheiden in de zorg voor zieken en gewonden. De medaille is zeer exclusief, wordt zelden uitgereikt en is te beschouwen als de Nobelprijs voor slachtofferhulp.

Regina Esser was in 1947 pas de derde vrouw in Nederland die deze hoge onderscheiding kreeg uitgereikt voor haar heldendaden. Esser’s wieg stond in het Gelderse Maasdorpje Alem waar zij in 1901 het levenslicht zag. Van 1943 tot 1946 woonde Regina Esser in Nederweert, aanvankelijk op het adres Brugstraat 23 (nu ijssalon ‘Florence’) en vervolgens Kerkstraat 78 bij de familie Moonen. Ze was docente kraamverzorging en leidde diverse Nederweerter meisjes op in de zorg voor moeder en kind. Mensen die haar gekend hebben, noemden haar volhardend, ietwat koppig en streng voor haar pupillen in de verpleegkunde. Ze liet zich de kaas niet van het brood eten, herinnerde leerlinge Tonny Koppen-Nillessen zich nog tijdens een interview. Met die doortastende houding heeft Esser zich in de nadagen van de Tweede Wereldoorlog in Nederweert enorm verdienstelijk gemaakt. In de herfst van 1944 werd Nederweert gesplitst door de stagnerende frontlinie. De westkant van de Zuid-Willemsvaart was eind september al bevrijd door de geallieerden. Ospel, Eind en Leveroy werden nog tot medio november bezet door het Duitse leger. Daar tussenin lag een niemandsland waar de bewoners twee maanden in de schuilkelders verbleven terwijl de huizen boven hun hoofden werden kapotgeschoten en platgebrand. Zowel aan militaire zijde als onder de burgers vielen er veel slachtoffers.

Tijdens de vuurgevechten en beschietingen negeerde de moedige Regina Esser alle waarschuwingen en verboden die zij kreeg. Vanuit de Kerkstraat trok zij door de vuurlinies en de talrijke mijnenvelden in Ospel en Eind. Dag en nacht verleende zij daar hulp aan zwaargewonde inwoners en militairen. Ook verzorgde zij vrouwen die tijdens de oorlogshandelingen moesten bevallen en die van doktershulp verstoken waren. Het was dan ook niet voor niets dat Regina Esser op 18 juli 1947 in de Pulchri Studio in Den Haag de Florence Nightingale-medaille kreeg opgespeld. Dat gebeurde door (toen nog) prinses Juliana. De burgemeester van Nederweert was ook uitgenodigd maar had laten weten wegens andere verplichtingen niet aanwezig te kunnen zijn. Esser was toen trouwens al niet meer in functie; in 1946 had zij op doktersadvies haar werkzaamheden neer moeten leggen. Dat was een gevolg van de ontberingen in de Ospelse frontlinie, die haar uiteindelijk mentaal teveel waren geworden. Er waren nog weinig sociale vangnetten in die tijd en haar familie heeft de oorlogsheldin decennialang moeten verzorgen en verplegen. Haar laatste jaren sleet zij in een bejaardenhuis in Eindhoven, waar zij in 1987 overleed. Volledig onterecht raakte zij later in het vergeetboek. Een blijvende herinnering, bijvoorbeeld een nieuwe straatnaam in Nederweert of Ospel, zou een welverdiend eerbetoon zijn aan deze Nederweertse Florence Nightingale.

Oud en grijs

‘Eerst Rome zien en dan sterven’, luidt het gezegde. Maar toen in 1911 Laurentius Driesser (‘Krugten Lins’) uit Leveroy honderd jaar werd, was zijn hartewens een stuk bescheidener. Hij wilde voor éénmaal in zijn leven een trein zien, ‘want ich wil auch waal ins zeen wie det geit zoonger paerd’. Zijn wens ging in vervulling en per sjees werd hij naar station Kelpen gereden. Minder dan een half jaar na dato was Lins dood en begraven.

Tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) wisselde Nederweert vele malen van Spaanse en Staatse (Hollandse) bezettingsmacht en vice versa. Bij de belegering in 1601 van het door Spaanse muiters bezette Weert, had prins Maurits van Oranje zijn hoofdkwartier in Nederweert ingericht. In zijn gevolg was ook de secretaris, die hem vergezelde en verslag deed van alle gebeurtenissen. Die secretaris heette Anthonius Duijck. Jaren later, in 1621, werd Duijck benoemd tot Raadspensionaris van Holland (een ambt dat enigszins vergelijkbaar is met dat van de huidige Minister van Buitenlandse Zaken). In die hoedanigheid was hij de opvolger van de veel bekendere Johan van Oldenbarneveldt (vooral bekend omdat die op het Binnenhof letterlijk een kopje kleiner werd gemaakt). Maar nu terug naar 1601. In zijn dagboek wijdde Duijck enkele zinnen aan Nederweert. Het viel hem op dat in Nederweert, dat hij een groot dorp vond, zoveel grijsaards van ‘meer dan 100 jaar’ aantrof. Hij schreef dat toe aan het gezonde plattelandsleven. De tekst van Duijck is – hoe summier ook – een van de oudste beschrijvingen van de Nederweertenaren. Maar klopt zijn impressie over de zeer hoge leeftijd van de inwoners? Hoewel hij weinig zal hebben omschreven dat zijn broodheer onwelgevallig was, houdt men hem over het algemeen voor een zeer betrouwbare kroniekeur.

Hoe oud onze verre voorouders precies werden, is onduidelijk. In de kerkelijke bevolkingsadministratie is de vermelding van de overlijdens het meest summier. De leeftijd van de overledene werd pas vanaf het einde van de achttiende eeuw door de pastoors genoteerd. Bij een zeldzaamheid als een tachtigjarige (zo iemand noemde men in het latijn octogenarius), werd aantekening gemaakt van de relatief hoge ouderdom. Wat natuurlijk wél vast staat is dat de sociale hygiëne en gezondheidszorg nog onderontwikkeld waren en dus hun weerslag hadden op de gemiddelde levensverwachting. Bewijzen voor de hoge ouderdom van de Nederweertenaren ontbreken, want ook van een bevolkingsregister was in die tijd nog geen sprake. Toevallig is uit 1601 wel een getuigenis bewaard gebleven, waarin enkele oude inwoners van Nederweert voor het gemeentebestuur een verklaring afleggen over iets wat zich in hun jeugd had afgespeeld. Tot de getuigen behoorden de 88-jarige Gubbel Bijlmekers en de maar liefst 96-jarige Thonis Geraets, voor die tijd uitzonderlijk oude inwoners. En ook al waren Gubbel en Thonis dan nog geen 100 jaar, wellicht waren zij het wel, die in dat bewuste jaar 1601 als oude grijze mannen oog in oog hebben gestaan met prins Maurits en zijn dagboekschrijver Duijck.